logo heemkundige kring
heemkundige kring diepenbeek vzw
terug naar begin
naar pagina-einde
vorige
volgende

Geschiedenis

Heel waarschijnlijk, toen er nog geen sprake was van Diepenbeek, woonde hier in de ruime omgeving reeds mensen in de Riss-ijstijd, 240.000 - 180.000 jaar v.Chr. In het interglaciaal Riss-Würm tijdperk, 180.000 - 130.000 v.Chr. hebben hier zeker mensen geleefd. Dat is bewezen door de vondsten van stenen voorwerpen zoals vuistbijlen, krabbers en skeletten. In de Würm-ijstijd, 130.000 - 10.000 v.Chr. heerste hier een subarctisch klimaat. Er waren toendra's met rendieren en poolwild. Na 10.000 v.Chr. werd het warmer. In de plaats van de toendra's kwamen er naaldbossen en loofbossen. De mensen leefden van jacht op klein wild. Ze gebruikten daarvoor de speer, pijl en boog. Veel van die kleine pijlpunten werden teruggevonden. Rond 4.000 v.Chr. kwam er een volk uit het oosten dat zich in onze streken toelegde op landbouw. Het was de tijd van de "Bandkeramische beschaving." Bij opgravingen aan de Kruisveldstraat te Diepenbeek werd een spinklosje gevonden in een restenput. Naar de vorm en afwerking van dit spinklosje te oordelen zou het in die tijd kunnen thuishoren Later waren de inwoners van deze streken de Kelten of Galliërs. Rond het jaar 125 v.Chr. de tijd dat Romeinse legers oprukten doorheen Gallië, woonde hier de Eburonen die van Germaanse afkomst waren. Ze waren de Rijn overgevaren en hadden de Kelten achteruit gedreven naar Frankrijk. De Eburonen leefde niet in dorpen maar in verspreide woningen in de streek wat nu Keizel is.

Het uitzicht van oud-Diepenbeek

    Volgens Paul Pipers Achter de grens van noord tot oost, verheffen zich, als een blauwe muur tegen de gezichtseinder, de heuvels van de scheidingslijn tussen Schelde- en Maasvallei. Met een zachte helling daalt de effen liggende vlakte over een afstand van meer dan vijf kilometer naar de Demer toe. Die vlakte is een uitgestrekt heideveld: naakte duinen van geelachtig of wit zand wisselen af met uitgestrekte velden bijheide of op lagere gedeelten, hommelheide. Hier en daar waar de grond nog lager ligt en het water geen uitweg vindt, vormden zich van voor eeuwen ondiepe vijvers, rottende moerassen en venen waar in de zomer, bij lage waterstand, enkele bosjes vlokkig gras tussen de spichtige biezen opschieten. Het water dat van de Genker heuvelen afzakt naar de Demervallei, vloeit langs beken of zijpelt traag doorheen wier, biezen en waterlissen, langs venen, vijvers en moerassen. Deze uitgestrekte heide zonder huizen, zonder wegen of houtgewas, die volstrekte eenzaamheid was een heerlijk verblijf voor allerlei watervogels. In de oude tijd evenals nu vormt de Demer de scheidingslijn tussen de heidevlakte en het hoger gelegen gebied. Dit gebied is nogal heuvelachtig en bereikt een hoogte van ruim 60 meter. De bodem is zand-leemachtig, kleiachtig en op sommige hoogten langsheen de zuidergrens kleverige potaarde. Het gebied was met wouden overdekt. Vooreerst was er als overgang tussen de heidevelden en de hoger gelegen wouden een uitgestrekt laag gebied met buntgras of bentgras. Dan volgden de bossen met vooral elzenbomen en op de betere gronden groeiden eikenbomen. Ook waren er plaatsen waar linden en beukenbomen groeiden. Deze uitgebreide bossen waren verbonden met die van het Rijnland. Het was een paradijs van vele vogels en dieren.
Diepenbeek werd in 1063 voor het eerst vermeld als Tienbeche. In een akte die geschreven werd in 1063 en zich in een verzameling brieven van de collegiale kerk van het H. Kruis te Luik bevind, werd een zekere Albertus van Tienbeche vernoemd die weliswaar als getuige optrad, maar toch de naam “van Diepenbeek” droeg en die met een zeer grote waarschijnlijkheid uit Diepenbeek afkomstig was. Oorspronkelijk was Diepenbeek een vrije heerlijkheid. De heerlijkheid werd in de eerste helft van de 13e eeuw betwist door de prinsbisschoppen van Luik en de hertogen van Brabant. Men spreekt dan over een tweeheerlijkheid. Uiteindelijk werd Diepenbeek een Luiks leen, maar vanaf 1266 was er ook Brabantse afhankelijkheid. In 1359 kwam, met de dood van Hendrik van Diepenbeek, een einde aan de status van vrije heerlijkheid. Families die de heerlijkheid tot de 17de eeuw in handen hadden waren: Van Diepenbeek, De Sombreffe, Van Schoonvorst, Van Gavere, Van Horne en Van Merode. Door aankopen in 1663 en 1678 door Landcommandeur van Alden Biesen, Edmond Godfried von Bocholtz (1657-1690) kwam de heerlijkheid voor 133 jaar in het bezit van de Duitse Orde. De Duitse Orde betaalde 346000 gulden voor de aankoop tegen 12000 gulden door de Diepenbekenaren jaarlijks te betalen rente. (Klik op de afbeelding voor info) Diepenbeek heeft nooit bij het graafschap Loon behoord. Het lag als een Luikse enclave in het graafschap. Op 1 oktober 1795 werden we officieel ingelijfd bij Frankrijk. Van dan af zouden de Franse wetten ook in België worden toegepast. België werd ingedeeld in 9 departementen, waaronder het departement Nedermaas (Département de la Meuse Inférieur) waartoe Diepenbeek behoorde. Nedermaas viel in grote lijnen samen met wat nu Belgisch en Nederlands Limburg is. Nedermaas bestond uit drie arrondissementen, Hasselt, Maastricht en Roermond. De vroegere gemeenten beneden de 5000 inwoners verloren hun autonomie en gingen op in grotere municipaliteiten of kantons. Nedermaas kende 31 zulke kantons. Diepenbeek behoorde van 1796 tot 1802 samen met nog 14 andere gemeenten tot het kanton Kortessem. Op 9 november 1799 kwam Napoleon aan het bewind en kreeg het departement een nieuwe structuur Op 9 januari 1802 werden de kantons opgeheven als bestuursentiteit en de gemeenten kregen hun eigen bestuur. Het departement Nedermaas werd herleid tot 23 kantons verdeeld over de 3 arrondissementen. Het arrondissement Hasselt kreeg 6 kantons. Het kanton Hasselt op zijn beurt bestond uit 6 gemeenten waaronder Diepenbeek. In 1815 kwamen we onder het bewind van de Hollanders en werden met hen verenigd in het Koninkrijk der Nederlanden, een bufferstaat tegen Frankrijk. De naam van het Departement van de Nedermaas behoorde tot het verleden en de Provincie Limburg werd geboren. In 1830 maakte de Belgen zich vrij van het Nederlands juk, doch het duurde tot 1839 voor er een overeenkomst tot stand kwam en het huidig Limburg ontstond. (Klik op de leeuw) Diepenbeek is in de jaren 70 van vorige eeuw niet gefuseerd met een andere gemeente. Wapenschild van Diepenbeek Het wapen van de Teutonische Orde, die de laatste feodale heer van Diepenbeek leverde, werd bij Koninklijk besluit van 29 maart 1961 aan Diepenbeek toegekend. Het gemeentewapen werd op 15 mei 1995 als volgt door de gemeenteraad vastgesteld: in zilver een gelijnd breedarmig kruis van sabel, het schild geplaatst voor een Sint-Servaas, houdend in de rechterhand een sleutel en in de linkerhand een bisschopsstaf, het geheel van goud. Gemeentevlag De gemeentevlag werd toegekend bij Ministerieel Besluit van 8 juli 186. Beschrijving: twee even lange banen van rood en geel met op op het midden een wit schild met een zwart breedarmig kruis.

Burgemeesters van Diepenbeek

Periode Burgemeesters
1798 - 1802 Walter Schoenaert
1802 - 1808 François Schoofs
1808 - 1830 Maximilien de Montaigne
1830 - 1841 Cornelis Machiels
1841 - 1876 Matheus Constantinus Palmers
1876 - 1879 Renier Grosemans
1879 - 1884 Joannes Nicolaes Achten
1885 - 1908 Laurens Machiels
1908 - 1921 Hendrik Gisbertus Vandebroek
1921 - 1939 Jean-Marie Eugenius Schoofs
1939 - 1942 Leonard Mathijs Eersels
1942 - 1944 Louis Herman Rochus
1944 - 1947 Leonard Mathijs Eersels
1947 - 1954 Joannis Laurentius Buntinx
1954 - 1959 Joannes Gerardus Vandormael
1959 - 1965 Hendericus Engelbertus Slegers
1965 - 1983 August Voets
1983 - 1995 Jos Thys
1995 - 2012 Etienne Steegmans
2013 - 2018 Patrick Hermans
2019 - Rik Kriekels


Demografische ontwikkeling



terug naar begin vorige volgende

 

Bijgewerkt op:  16-06-2020